Incidentie en klinische uitkomsten van PCI-procedures na TAVI
De incidentie van percutane coronaire interventie (PCI) na percutane hartklepimplantatie (TAVI) is laag, maar neemt toe over de tijd. De procedurele complicaties zijn beperkt en de klinische uitkomsten zijn vergelijkbaar tussen verschillende kleptypen, hoewel patiënten met een self-expanding klep vaker een PCI ondergaan zonder stentplaatsing
Hugo M. Aarts, Kimberley I. Hemelrijk, Gijs M. Broeze, Steven A. Muller, Lineke Derks, Ronak Delewi, Michiel Voskuil on behalf of the Transcatheter Heart Intervention and Percutaneous Coronary Intervention registration committees of the Netherlands Heart Registration
Achtergrond
Coronairlijden komt frequent voor bij patiënten die een percutane hartklepimplantatie (TAVI) ondergaan. Het belang van routinematige percutane coronaire interventie (PCI) voorafgaand aan de TAVI-procedure staat ter discussie, en wordt momenteel onderzocht in de Nederlandse PRO-TAVI studie. Kennis over de incidentie en uitkomsten van PCI-procedures na TAVI is echter beperkt. Dergelijke informatie is relevant voor het bepalen van de optimale behandelstrategie bij toekomstige TAVI-patiënten.
Methode
Een datakoppelingsproject werd uitgevoerd waarbij gegevens uit zowel de PCI- als de THI-registratie van de Nederlandse Hart Registratie (NHR) werden gebruikt. Alle patiënten die tussen 2015 en september 2021 een PCI ondergingen, werden geïncludeerd. Patiënten met een eerdere TAVI-procedure werden geïdentificeerd via de THI-registratie. De follow-up bedroeg minimaal één jaar en omvatte zowel procedurele als klinische uitkomsten. Uitkomsten werden geanalyseerd per kleptype en in een gematcht cohort van patiënten met en zonder TAVI in de voorgeschiedenis.
Resultaten
In totaal ondergingen 216.813 patiënten een PCI in Nederland tussen 2015 en 2021, van wie 419 patiënten (0,19%) eerder een TAVI hadden ondergaan. Dit correspondeert met 2,8% van alle TAVI-patiënten in dezelfde periode. De jaarlijkse incidentie van PCI na TAVI nam toe van 0,05% in 2015 naar 0,39% in 2021 (P trend < 0,001). De mediane tijd tot PCI na TAVI was 347 dagen (interkwartielafstand, 119-817). Non-STEMI was de meest voorkomende indicatie (43,5%) voor de PCI. Procedurele complicaties waren beperkt. PCI-procedures bij patiënten met een self-expanding TAVI-klep werden vaker uitgevoerd zonder stentplaatsing dan bij patiënten met een balloon-expandable klep (17,8% vs. 10,1%, P = 0,049). De incidentie van revascularisatie van hetzelfde vat (TVR) was vergelijkbaar tussen de verschillende kleptypen. Klinische uitkomsten na PCI waren vergelijkbaar in het gematchte cohort van patiënten met en zonder TAVI.
Conclusie
De incidentie van PCI na TAVI is laag, maar neemt toe over de tijd. De procedurele complicaties zijn beperkt. Klinische uitkomsten zijn vergelijkbaar tussen verschillende kleptypen, hoewel patiënten met een self-expanding klep vaker een PCI ondergaan zonder stentplaatsing. Deze resultaten onderstrepen het belang van een gepersonaliseerde behandelstrategie, met specifieke aandacht voor coronaire toegang na TAVI.

Figuur 1. Jaarlijks aantal patiënten dat een TAVI ondergaat en het aandeel PCI‑procedures uitgevoerd na TAVR.
PCI = percutane coronaire interventie, TAVI = percutane hartklepimplantatie. 2021: alleen Q1–Q3 opgenomen in de huidige studie (n = 1960, totaal in 2021 = 2685).

Figuur 2. Procedurele uitkomsten van PCI na TAVI in de totale cohort en bij patiënten behandeld met ballon-expandable en self-expandable transkatheter hartklep (THV).
MI = myocardinfarct, PCI = percutane coronaire interventie, TAVI = percutane hartklepimplantatie, TVR = revascularisatie van het doelvat. P < 0,05.