Wandelvriendelijke buurten en het risico op hart- en vaatziekten
De resultaten van dit onderzoek laten zien dat langdurig wonen in een minder wandelvriendelijke buurt verband houdt met een hoger risico op Hart- en Vaatziekten (HVZ), ook in Nederland waar de basisinfrastructuur voor lopen en fietsen al relatief goed is. De kernboodschap is dat gezondheidseffecten van de leefomgeving zich over lange termijn opbouwen: latere verbeteringen in wandelbaarheid lijken een periode van lage wandelbaarheid slechts beperkt te compenseren. Dit maakt de fysieke leefomgeving geen “bijzaak”, maar een structurele determinant van volksgezondheid.
Dit onderzoek toont aan dat ruimtelijke ordening samenhangt met gezondheidsverschillen, en dat preventie niet alleen in de zorg of leefstijlinterventies zit, maar ook in infrastructuur, voor wandelen. Voor Nederland betekent dit dat investeren in wandelbaarheid geen cosmetische maatregel is, maar een mogelijke langetermijnstrategie om de ziektelast van HVZ te verminderen. Juist nu is het momentum om gezondheid expliciet mee te wegen in woningbouw- en mobiliteitsbeleid, omdat de effecten mogelijk pas jaren later zichtbaar worden.
P. Meijer, M. Liu, T.M. Lam, Y. Koop, M.G.M. Pinho, I. Vaartjes, J.W.J. Beulens, D.E. Grobbee, J. Lakerveld, E.J. Timmermans
Inleiding
De fysieke inrichting van woonwijken speelt een belangrijke rol in gezondheid, onder andere doordat zij dagelijks beweeggedrag kan beïnvloeden. De keuze om wandelend naar een bestemming te gaan wordt o.a. bepaald door de mate waarin een buurt uitnodigt tot wandelen door factoren als nabijheid van voorzieningen, verbinding van straten en hoeveelheid stoep/wandelpaden. Dit wordt in het Engels Walkability genoemd, of wandelvriendelijkheid in het Nederlands. Dit wordt steeds vaker gezien als een relevante factor voor dagelijkse beweging en dus ook voor cardiovasculaire gezondheid. Deze studie onderzocht of langdurige blootstelling aan verschillende mate van wandelvriendelijkheid van de woonomgeving, en veranderingen daarin over de tijd, samenhangen met het risico op HVZ. Uniek is de zeer grote Nederlandse onderzoekspopulatie en de lange tijdspan.
Methode
Het onderzoek is opgezet als een grootschalige, landelijke cohortstudie. Met behulp van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) werd een onderzoekspopulatie samengesteld die bestond uit meer dan 3 miljoen Nederlandse inwoners van 40 jaar en ouder, zonder bekende voorgeschiedenis van HVZ. Het onderzoek keek naar gezondheidsuitkomsten van 2009 t/m 2019, en historische gegevens over de directe woonomgeving (wandelvriendelijkheid) tussen 1996 en 2008. Om de wandelvriendelijkheid van de woonomgeving te meten werd gebruik gemaakt van een objectief berekende walkability-index in één kilometer rondom het woonadres (op basis van geografische en ruimtelijke kenmerken). Incidentie van HVZ werd vastgesteld uit nationale ziekenhuisregistraties en doodsoorzakenregisters van CBS. Ook werden sociodemografische gegevens meegenomen uit landelijke registers van CBS.
Vervolgens werd een statistisch model gebruikt om groepen te identificeren met vergelijkbare wandelbaarheid van hun omgeving over de tijd.
Daarna werd het verband geanalyseerd tussen deze groepen en het risico op HVZ, rekening houdend met relevante achtergrondkenmerken, zoals leeftijd, geslacht, inkomensverschillen en meer.
Resultaten
Uit het onderzoek blijkt dat volwassenen die gedurende lange tijd (13 jaar) in buurten met lage wandelvriendelijkheid wonen, een vijf procent hoger risico op HVZ hebben dan mensen die in buurten met hoge wandelvriendelijkheid wonen. Dit hogere risico gold ook voor personen die in de loop der jaren weliswaar een verbetering in wandelvriendelijkheid meemaakten, maar daarvoor langdurig aan een minder wandelvriendelijke omgeving zijn blootgesteld. De totale blootstelling lijkt dus belangrijker dan de verandering alleen.
Voor Nederland is dit relevant omdat, ondanks de relatief goede infrastructuur voor lopen en fietsen ten opzichte van andere landen, duidelijke verschillen bestaan tussen wijken. De resultaten ondersteunen het belang van structureel en langdurig investeren in wandelvriendelijke buurten als onderdeel van HVZ preventie.
Discussie
Een duidelijke trend is dat langdurige blootstelling aan een minder loopvriendelijke leefomgeving samenhangt met een verhoogd risico op HVZ, zelfs wanneer de leefomgeving later verbetert. Dit wijst erop dat het belangrijk is dat de wandelbaarheid van buurten structureel wordt meegenomen in ruimtelijke ordening en wijkontwikkeling. Voor beleid betekent dit dat tijdelijke of beperkte ingrepen mogelijk onvoldoende zijn om gezondheidsverschillen te verkleinen.
Het onderzoek kent ook beperkingen. Zo meet de walkability-index de fysieke kenmerken van de omgeving, maar niet het daadwerkelijke beweeggedrag van individuen of hun voorkeuren. Daardoor kan niet worden vastgesteld in hoeverre mensen de wandelvriendelijkheid daadwerkelijk benutten. Uit eerder onderzoek is echter wel gebleken dat de index een verband heeft met het dagelijks aantal minuten dat mensen wandelen. Ten tweede is vertekening van het verband mogelijk, bijvoorbeeld doordat sommige leefstijl (o.a. roken, alcoholgebruik)- en andere omgevingsfactoren (o.a. voedselaanbod, veiligheid) niet konden worden meegenomen.

Figuur 1. Verbanden tussen trajecten van de beloopbaarheid van buurten en daaropvolgende cardiovasculaire uitkomsten.
Modellen zijn gecorrigeerd voor leeftijd bij aanvang, geslacht, etniciteit, verandering in partnerstatus, gemiddeld gezinsinkomen, SES op gebiedsniveau, gemiddelde blootstelling aan PM2,5, urbaniteit en verhuizing.
∗ Bleef statistisch significant na correctie voor False Discovery Rate (valse ontdekkingen) bij meervoudige toetsing.
CVD, hart- en vaatziekten; CHD, coronaire hartziekten; HF, hartfalen; CI, betrouwbaarheidsinterval.